Prins Luc viert ‘50 joor Zjubelei’
Team Cultuur en evenementen 28 februari 2019
28 februari 2019

Prins Luc viert ‘50 joor Zjubelei’

Met veel feeling voor elektorale public relations hadden de resp. kandidaten Fons I, Luc I, Rudolf I en Vic I hun propaganda verzorgd.” Dat schreef de ‘Gazet van Aalst’ in 1969. Toen al! Want ook 50 jaar geleden was de Verkiezing Prins Carnaval al de belangrijkste bijzaak ter wereld in Aalst. En ook toen verliep niet alles zonder commotie. Luc Peirlinck (84) trok toen aan het langste eind en 50 jaar later viert hij zijn ‘gouden jubileum’. Een gesprek met een door de wol geverfde carnavalist-kunstenaar die jarenlang bekend zou staan als de ontwerper van de prinsenscepter, ‘Pluc’ voor de vrienden.

We zochten Prins Luc I thuis op in de Henri Matthieustraat, een zijstraat van de Binnenstraat. Zijn woning, die hij zelf op plan zette én bouwde, puilt uit van de zelf gedraaide en gesculpteerde houten kunstwerken, geboetseerde beelden in klei of uitgehakt in steen. Aan de muur pronken enkele schilderijen van eigen hand, naast tal van memorabilia van Aalst Carnaval waaronder dé scepter die hij zelf ontwierp voor zijn prinsenjaar. Op een zware houten balk aan het plafond graveerde hij twee spreuken: “Aan het werk herkent men de meester” aan de ene kant en “Kennis is een bezit dat niemand je kan afnemen aan de andere kant”. De 84-jarige creatieveling doet het vandaag wat rustiger aan. Enkele kunstwerken in zijn atelier zijn onafgewerkt en zullen dat wellicht ook blijven. Luc heeft er vrede mee.

Luc, ben je een carnavalist die kunstenaar werd, of is het omgekeerd?
Luc:
“Ik ben de oudste van drie zonen, onze vader was schrijnwerker. Van mijn 14 jaar werkte ik mee in het atelier. Ik behaalde een diploma B2 Openbare Werken en daarna ook een van meesterschrijnwerker en besloot om les te gaan geven in de middenschool. Ik was toen nog geen fervent Carnavalist. Ik ging wel verkleed naar carnaval, maar niet veel meer dan dat. Dat ik me in 1968 voor de eerste keer kandidaat stelde om Prins Carnaval te worden, gebeurde louter na aandringen van de vissersclub waar ik toen lid was. De club had de jaren ervoor al tweemaal een kandidaat voortgebracht en ze vonden dat het dan mijn beurt was. Ik moest de titel toen aan Kamiel Sergant laten, maar besloot om het jaar daarop opnieuw mijn kans te wagen.”

In 1969 was het tweede keer, goede keer.
Luc: “Ja, maar dat verliep allemaal niet zonder slag of stoot. Ik nam het toen aanvankelijk op tegen 2 andere kandidaten, Fons De Meyst en Rudolf Maes. Maar plots, nog nà het Driekoningenfeest kregen we nog een derde opponent, Vic. Dit had tot gevolg dat de verkiezing een week zou worden uitgesteld en dat het aantal toegelaten toeschouwers Couverture (legendarische feesthal in de Bert Van Hoorickstraat, gesloopt in 2011) moest worden opgetrokken van 800 tot 1 500. Fons, Rudolf en ik gingen daar niet mee akkoord en besloten ons in eerste instantie terug te trekken. Op aandringen van Frans Wauters besloot ik dan toch mee te doen en ik won.”

Ook in mijn tijd was er altijd wel wat te doen rond de Prinsenverkiezing. Dat is van alle tijden. Óók sabotage.

Na afloop van de bewuste verkiezing had de ‘Gazet Van Aalst’ ook nog een woordje van lof over voor de afscheidnemend prins Kamiel: “Camiel III (sic) de jongste karnaval-chansonnier lanceerde bij deze uitstekende gelegenheid zijn ‘Oilsjt viert Karnaval’, een chanson die alle kwaliteiten heeft om de volgende weken het Aalsterse hymne te worden.” Lichtjes visionair, maar toch een al te bescheiden gok van de journalist.

Valt de verkiezing nog op een of andere manier te vergelijken met vroeger?
Luc:
(snel) ”Nu is het een geldkwestie geworden he. Dat is het grootste verschil. Maar ik zag opnieuw twee mooie shows dit jaar. Massi was trouwens een erg sterke tegenkandidaat voor Meyst. In mijn tijd waren er meer sketches en ik maakte ook een liedje, ‘In Oilsjt est carnaval’, op de tonen van ‘La Felicità’. En zoals je ziet was er toen ook al wel wat te doen rond de verkiezing. Dat is van alle tijden. Óók sabotage! Niemand was te vertrouwen (lacht). Ik liet me een mantel met cape maken, een grijze kousenbroek en gouden botjes. Het prinsenkostuum werd toen nog jaarlijks doorgegeven van prins aan prins. Het mijne ging 4 jaar mee en belandde dan in het stedelijk museum. Jaren later is mijn kleindochter mijn kostuum daar gaan terugvragen en zij bewaart het nu. ”

Recent werd je nog gehuldigd tijdens de Verkiezing Prins Carnaval. Je ook nog altijd actief in de Prinsencaemere.
Luc:
“Ik heb de Caemere zelf nog mee helpen stichten in 1972, samen met Jean-Paul De Boitselier, Simon D’hondt, Karel De Naeyer… De meesten van die tijd zijn al overleden, ik ben de oudste van het gezelschap.”

De afgelopen decennia verwierf je vooral bekendheid door je ontwerpen van de prinsenscepters. Hoe ben je daarmee gestart?
Luc:
“Vóór mijn prinsenjaar werd de scepter ontworpen door Herdersemnaar Jan Steenhout. Ik leerde toen beroepshalve net met de draaibank werken en vond dat zo’n mooie scepter dat ik hem namaakte tijdens mijn eigen prinsenjaar. Na mijn prinsenjaar gaf ik hem door aan Prins Jean-Paul, maar dat exemplaar werd gestolen en nooit teruggevonden. Daarom besloot de stad om in de jaren daarna een polyester exemplaar te gebruiken. Pas in 1980 kreeg ik de vraag van Simon D’hondt om er opnieuw één te ontwerpen.”

Heb je enig idee hoeveel je er hebt ontworpen?
Luc:
“In totaal maakte ik drie officiële scepters die jaar na jaar werden doorgegeven door de prinsen. Prins Joe (2015) was de laatste en die scepter gaat nu nog mee. Ik gaf de stiel ondertussen door aan ex-kandidaat Prins Ronny Eemans en ook Tejo Soete toonde interesse. De meeste prinsen vroegen me na hun prinsenjaar om een kopie en ook op vraag van verzamelaars heb ik er nog ontworpen. Veel mensen hebben dus een exemplaar, maar het is telkens handwerk, elk stuk is uniek. De houtsoort die ik gebruikte is linde. Droge linde is veruit het meest geschikt. De beschildering deed ik nooit zelf, daarvoor zorgde Hugo Peeters uit Meldert. Weet je dat ik ook jarenlang de gouden ajuin heb ontworpen? Dat was vroeger een houten exemplaar. Elk van mijn beelden en creaties teken ik trouwens met ‘Pluc’ – een referentie naar Prins Luc, ofwel Peirlinck Luc.”

Boeit het Carnaval je vandaag nog altijd?
Luc:
“Jazeker, ik ga nog altijd drie dagen naar Carnaval. Ik heb intussen ook kleinkinderen die echte carnavalisten zijn. Mijn twee kleinzoons zijn niet zo geïnteresseerd, maar mijn twee kleindochters des te meer. De ene is lid van carnavalsgroep De Snotneizen en gekend als ‘Kelly van de Schaa Meikes’ en de andere zit bij Possensje. Tijdens de laatste prinsenverkiezing supporterde de ene kleindochter voor Meyst en de andere voor Massi! Dat is toch mooi he?” (lacht)

Prins Luc I viert zijn gouden jubileum zoals echte carnavalisten dat doen: met drie nominetjes, in de verschillende stadskleuren, getiteld ’50 joor Zjubelei’. We wensen Luc hierbij nog veel mooie jaren en een schitterende carnaval!

(foto Geert De Wolf)

Team Cultuur en evenementen